Eerste hoofdstuk

Klik hier voor de link naar de site van Luitingh-Sijthoff om het eerste hoofdstuk te downloaden.

 

 

 

1


Verandering


Het was niet de bedoeling. De woorden waren bestemd voor mijn broer, maar door de onhandige aanpak van mijn vader had ik flarden van het gesprek opgevangen. Losse woorden, door hem uitgesproken, woorden die op een geheimzinnige manier met elkaar verbonden leken en als vuurpijlen door de lucht
schoten. Schichtig, in kleurrijke spetters, uitwaaierend in een zucht.
We waren bondgenoten. Totdat hij overleed en me niet langer kon beschermen.
Bijna iedere avond lieten mijn vader en ik na het eten de hond uit, zonder mijn moeder en zonder Bob. De wandeling was van ons, en terwijl ik alleen met mijn vader langs de perkjes liep, tuimelden de belevenissen van die dag in mijn gedachten over elkaar heen, elkaar verdringend om als eerste verteld te worden.Over de juffrouw, wat ze gezegd had tijdens de les, met wie ik gespeeld had op het plein en hoe het met Pluisje ging, ons konijn dat achter in de klas in zijn hok zat. Alles moest mijn vader weten, alles wat ik tijdens het eten niet had kunnen zeggen bloeide op als ik met hem alleen was. Hij luisterde en stelde vragen, hij glimlachte om mijn verhalen en ik was trots op hem.
Als alles was verteld liepen we stil naast elkaar verder. Vader en dochter. Vredig. Verzadigd. Klaar voor de nacht, met zijn schaduwen en geheimzinnige dromen.

In onze vorige woonplaats wandelden we langs de Waal, langs de rivier die de geur voortstuwde van de rijnaken die over het grauwe water voeren. Het water, dat tegen de dijk klotste en witte schuimkragen vormde bij harde wind wanneer de boten zich tegen de stroom in voortbewogen. We liepen over de kade langs de bergen zand en grind, waar de stofwolken opvlogen als je erop speelde. Stof dat overal in ging zitten, in je neus kriebelde en je sokken vulde tot aan je tenen terwijl je gewoon schoenen droeg.

Vaak plukte ik daar een bosje bloemen voor mijn moeder. Op de dijk, overgroeid met boterbloemen, madeliefjes, paardenbloemen en fluitenkruid, lagen de gemengde boeketten voor het oprapen. Ik vlocht de steeltjes in elkaar en tegen de tijd dat we thuiskwamen hingen de bloemen slap in mijn klamme hand. Grootmoedig zette mijn moeder ze in het water en ik staarde net zolang naar de jampotvaasjes totdat ik er zeker van was dat de bloempjes genoeg hadden gedronken om te overleven tot de volgende wandeling. Dan zou ik zorgen voor een vers geplukt boeketje om mijn moeder weer blij te maken.
In onze nieuwe woonplaats liepen we langs het veldje met het klimrek en bij voldoende tijd maakten we een rondje door het park. Langs de vijver met de treurwilg waarvan de takken het wateroppervlak raakten en over de heuvel die ’s winters het domein was van joelend sleeënde kinderen.

Heel soms liep mijn broer Bob met ons mee, als hij niet te veel huiswerk had en zin had om met mijn vader te praten. Rustig was het dan; mijn moeder kon zich er niet mee bemoeien en haar mening overheerste niet. Als we met mijn vader wandelden luisterde hij en gaf hij adviezen over hoe we ons op school moesten gedragen en hoe we moesten reageren op mijn moeder, die soms boos was of verdrietig. Ook legde mijn vader dingen uit of vertelde over vroeger, toen hij zelf nog klein was en de wereld alleen nog maar in zwart-wit gefotografeerd werd. Hij legde uit waarom een week zeven dagen had of waarom het in Afrika veel warmer was dan bij ons, en soms vertelde hij hoe hij samen met zijn vader en broers en zussen ging wandelen: zonder hond, zijn vader voorop en de kinderen in volgorde van leeftijd achter hem aan. Hij was de jongste, dus hij had nooit naast zijn vader gelopen zoals ik. Hij sloot de rij, in zijn korte broek, de broek die van zijn beide broers was geweest en die uitgerekt om zijn heupen flodderde, zoals ik op een oude foto had gezien.
Bob en mijn vader liepen voor mij uit en het was mijn beurt om de hond vast te houden. Dorus trok als altijd en ik had al mijn aandacht nodig om hem onder controle te houden. Misschien dacht mijn vader daarom dat ik het niet zou horen. Ik stond met de hond bij de boom terwijl mijn vader met Bob
sprak. Vanuit de verte zag ik de gebaren van zijn handen, de regenjas die als een toga om zijn schouders hing en zijn zwarte hoed met harde rand en een gleuf in het midden, die verdween in zijn hand als hij hem oplichtte om iemand te groeten, heel elegant, als een echte heer, zijn stand van advocaat waardig. Ik
keek van mijn vader naar Dorus en gaf een harde ruk aan de riem. Ik wilde naast mijn grote broer staan, luisteren naar de woorden die mijn vader sprak. Na nog een ruk hief Dorus zijn kop op en spurtte plotseling in zijn richting, mij achter zich aanslepend als een afgedankt speeltje. Toen ik vlakbij was hoorde
ik wat hij zei. Mijn vaders woorden overspoelden mijn broer en dropen langs de capuchon van zijn jack, die strakgetrokken zat over zijn hoofd.
Oorlog.
Opa.
Verdriet.
‘Mama kon er niets aan doen,’ zei mijn vader.
Bob zweeg, zijn handen in zijn zakken gepropt, zijn schouders opgetrokken. Hij zei niets, keek alleen maar strak voor zich uit langs het pad.
‘Dorus trok weer heel erg.’ Ik lachte naar mijn vader.
Mijn woorden haalden hem uit zijn concentratie. Hij aarzelde.
‘We hebben het er nog wel een keer over,’ zei hij tegen Bob.
‘Waarover?’ vroeg ik.
‘Niets,’ zei hij. ‘Iets tussen Bob en mij.’
Zwijgend liepen we naar huis, in een stilte vol stekels. Bob trapte tegen de losse steentjes op het pad en mijn vader floot zachtjes een deuntje. De man die volgens mijn moeder nog geen viool van een cello kon onderscheiden, liep vals fluitend naast me, alsof er niets aan de hand was, ondertussen zijn voorhoofd deppend met een zakdoek die hij anders alleen maar gebruikte om takjes uit Dorus’ oren te halen. We zwegen, terwijl een wolk van onuitgesproken woorden ons langs het pad begeleidde.
Thuis ging Bob direct naar zijn kamer. Mijn vader pakte de krant en hij zei verder geen woord meer. In bed luisterde ik naar het pianospel van mijn moeder. Vanuit mijn slaapkamer volgde ik haar vorderingen en ik hoorde waar ze bleef haperen, waar ze de handen apart oefende en de loopjes in korte ritmische stukjes knipte. Lang-kort-lang en kort-lang-kort, net zolang totdat alle verbindingen tussen de vingers zowel langzaam als snel soepel verliepen. Daarna speelde ze de melodielijn zoals het hoorde; alle noten even lang, in een regelmatig tempo, aangevuld met de akkoorden van haar andere hand.
Na de toonladders en vingeroefeningen speelde ze een menuet uit het Klavierbüchlein für Anna Magdalena van Bach, een van mijn moeders lievelingsstukken. De simpele melodie klonk die avond onheilspellend, en een onverklaarbaar verdriet vulde mijn kamer. Ik was acht jaar en op dat moment ontwaakte ergens in me een panisch verlangen om te vluchten, om weg te lopen voor iets wat me hopelijk nooit zou vinden, iets wat me zeker zou verwonden en waar ik me niet tegen kon beschermen, terwijl ik nog niet eens wist wat het was. In de stilte na de muziek viel ik roerloos in slaap.
Na die avond zou alles veranderen.


Eigenlijk wás mijn leven al veranderd. Op de avond van de wandeling woonden we pas een paar weken in ons nieuwe huis en ik miste nog steeds het geratel van de klompenfabriek achter ons oude huis in de Betuwe. Het geluid van de schurende bladen van de zagen die door de boomstammen joegen en de geur van het vers gezaagde hout, de zoete geur van zaagsel dat tijdens het werk in het rond spatte en uitwaaierde over de fabrieksvloer. In de fabriek mochten we niet komen, maar wild als we waren, onderzochten
Marieke en ik verder alles in onze omgeving. We speelden indiaantje in de boomhut achter haar huis, achtervolgden elkaar door de struiken bij de tennisbaan en bouwden een vlot in het slootje aan de overkant van de straat. Overal stapten we op af, niets leek onmogelijk en de wereld lag aan onze kindervoeten.
Op de dag van de verhuizing hing het oor van mijn Plutoknuffel uit een kartonnen doos. Het affiche met de konijnen verdween in een koker en ik zag voor het eerst de kleur van mijn matras. Annie, onze hulp voor dag en nacht, hielp mijn moeder met inpakken en bleef alleen achter in de Betuwe. In het nieuwe huis moesten we alles zelf doen, zei mijn moeder. Om tien uur ’s avonds reden de verhuiswagens onze nieuwe straat uit en samen met het wegstervende geluid verdween ook Marieke en loste de vertrouwdheid van de dingen op in de stofwolken achter de wielen die over de straatstenen denderden. Mijn moeder moest op zoek naar een nieuwe tennisvereniging, Bob ging voor het eerst naar het gymnasium en ik moest nieuwe vriendinnetjes maken in de tweede klas van de lagere school.
In de Betuwe hadden we in een groot huis gewoond. Zo groot, dat je er verstoppertje in kon spelen en in slaap kon vallen voordat iemand je gevonden had. Het huis, met zijn statige entree van drie treden en gemetselde boog boven de voordeur, schiep van zichzelf al afstand en bevestigde het verschil tussen de gewone man en mijn ouders, iets waar mijn moeder zich prettig bij voelde en wat haar trots aanwakkerde. Het was het tweede huis na hun huwelijk in 1949; dit huis bevond zich in dezelfde straat als het vorige, maar had meer comfort en glas-in-lood -ramen in de voorkamer, iets dat paste bij de status van het beroep
van mijn vader.
Het huis bestond uit twee gedeelten, die gescheiden waren door een brede gang. Links van de gang was de kantoorruimte van mijn vader en rechts ons woongedeelte met de kamers en suite en de fluwelen gordijnen. Achter het huis lag de tuin, afgesloten met dennenbomen die het zicht op de klompenfabriek ontnamen. Hoge bomen, waar mijn vader, balancerend op een ladder, ieder voorjaar onze jonge poesjes weer uit haalde.
Aan de zijkant van het huis hing de schommel. De schommel was net een huisje, een veilig plekje voor mij alleen, waar ik kon dromen. Niet gewoon schommelend, maar heen en weer wiegend van links naar rechts, of zachtjes ronddraaiend, waarbij de touwen boven mijn hoofd in elkaar vlochten tot ik bijna klem kwam te zitten, om daarna met een ruk weer terug te draaien zodat ik heen en weer schudde op het houten plankje. Op de schommel hoefde ik niets, alleen maar naar de lucht te kijken, waarin ik verhalen zag die stilletjes in de wolken over mij heen dreven. De blauwe hemel in de zomer, gevuld met wolken van slagroom, en de grauwe lucht in de herfst, wanneer de verhalen verschrompelden van de kou. Op de schommel dacht ik aan de ouders van mijn vader uit de buurt van Arnhem en aan opa en oma uit Amsterdam.
De opa en oma van mijn vaders kant woonden samen met zijn oudste, ongetrouwde zus in een somber huis, dat omgeven was door struiken met prikkende rozen die over de geheimzinnig knerpende grindpaden woekerden. We kwamen er bijna nooit en evenmin bij de broers en zussen van mijn vader die met hun gezinnen ‘boven de zaak’ woonden in het huis naast opa en oma. In het magazijn stonden rekken vol kruidenierswaren en het was er streng verboden voor de talrijke kinderen. De spaarzame keren dat ik bij opa en oma was, rende ik toch stiekem met mijn neefjes en nichtjes, van wie ik de namen niet kon onthouden, tussen de schappen door, de zoete geur inhalerend van de opgestapelde dozen met koekjes en snoepgoed.
Opa was altijd in het zwart gekleed, zijn overhemd hooggesloten tot in zijn hals, waar grijze stoppeltjes slordig tussen de huidplooien piekten. Strenge opa, met zijn witte snor en gouden horlogeketting.
Oma was niet gezond en alles aan haar was grijs. Ze zat als een schim in haar stoel, haar grauwe jurk als een verlengstuk van de bekleding en het kleurloze behang aan de muur. Zelfs haar gezicht was grijs; het werd omlijst door haar strakgetrokken haar, opgebonden tot een vaal antraciet knotje waar zilverkleurige
draden doorheen liepen.
Vanuit de Betuwe reed mijn vader af en toe over de dijk naar hen toe, als de beleefdheid het van hem eiste en hij een bezoek niet langer uit kon stellen. Het was tenslotte zijn familie, wat er ook was gebeurd en hoe ze ook over elkaar dachten. De enige oom en tante die we vaker bezochten waren de broer van mijn
moeder en zijn vrouw.

Als mijn vader bij zijn familie was geweest, kwam hij vaak somber thuis, op de achterbank van de oude Opel een doos koekjes waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken was; uit het magazijn, niet meer te verkopen. ‘Maar wel goed genoeg voor ons,’ zei mijn moeder dan snierend.
Bij opa en oma in Amsterdam was het wel gezellig. Met kerst braadde opa ‘kip met vier poten’ en kocht hij voor mij en Bob kleurpotloden in de kantoorboekhandel op de hoek. In Amsterdam konden we lachen, we deden spelletjes, luisterden gezamenlijk naar muziek en keken samen naar de komiek Dorus op de tv. Dorus in zijn oude jas, de jas waarin volgens het liedje twee motten woonden, heel knus, net zo gezellig en versleten als de kamer bij opa en oma.

 

In ons nieuwe huis was alles anders. De geur van vers fruit uit de Betuwe, die na de kersenoogst en de triomftocht van de praalwagens van het fruitcorso de lucht bezoedelde, was vervangen door iets ijzigs, dat als koel staal langs mijn tanden gleed. Een onbekende dreiging die een wrange nasmaak in mijn mond achterliet. De huizen stonden samengeperst achter voortuintjes vol bijgeknipte ligusterhagen, elk tuintje met zijn eigen hekje en metalen schuifje. Gesloten hekjes, waarachter onbekende gezinnen
leefden.
Vaak zat ik vanuit mijn kamer naar buiten te staren. In de Betuwe had ik uitgekeken op het slootje aan de overkant van ons huis, waarin mijn vlot lag, waar alleen Marieke en ik op mochten varen. In ons nieuwe huis bestond het uitzicht uit de huizenrij aan de overkant van de straat. Het was een keurige straat, bewoond door nette mensen met strikte regels, bij wie ik vast niet onaangekondigd naar binnen kon vliegen om tv te gaan kijken. Mijn moeder had me al gewaarschuwd: de mensen waren hier stugger dan in de Betuwe en ik moest rekening houden met de positie die mijn vader zou krijgen.
Hij had voor ons beslist. Zijn advocatenpraktijk in de Betuwe had hij verkocht en in Leeuwarden zou hij een belangrijk man worden, daarom zouden we ons volgens mijn moeder extra netjes moeten gedragen.
Hier mochten we niet schreeuwen op straat en de buren moesten we keurig met twee woorden gedag zeggen.

Ik zuchtte en dacht aan Marieke. We zouden nooit meer samen tennisballen rapen, nooit meer door de ramen van de klompenfabriek gluren en nooit meer samen op ons vlot varen. Bij ons afscheid hadden we elkaar eeuwige trouw beloofd, net zoals de indianen. Wij waren bloedzusjes; met een speld van mijn moeder hadden we in onze vingers geprikt, net diep genoeg om na hard knijpen een druppeltje bloed tevoorschijn te toveren, dat we huiverend met onze tong bij de ander hadden opgelikt.
Alleen mijn vader was tevreden. Hij had de baan die hij wilde, en daar moesten we trots op zijn; zo gemakkelijk was het niet gegaan.
De dag na de verhuizing keek ik naar de spullen in mijn nieuwe kamer. Niets paste. De deur sloeg tegen de rand van het bed, de kleerkast stond half voor het raam en de gordijnen waren te lang.
Toen ik mijn blokfluit uit een verhuisdoos pakte, klonk er muziek vanuit de woonkamer. Een scherzo van Chopin, met virtuoze loopjes en ingewikkelde akkoorden. Ik liep naar beneden en wurmde me langs de verhuisdozen in de gang. De pianoloopjes wervelden door de kamer en tipten even aan de vertrouwdheid
van ons oude huis, vluchtig, in snelle passages, als een zucht langs mijn wang.
Mijn moeder stond bij het kastje van de pick-up en ordende de lp’s. De vioolconcerten van Mendelssohn en Tsjaikovski zette ze aan de linkerkant, daarnaast de pianomuziek van Chopin en Schubert, en helemaal rechts plaatste ze de muziek van mijn vader: de Dutch Swing College Band, Jasperina de Jong en Drs. P.
Ze luisterde niet naar de muziek. Na het slotakkoord keek ze op van de doos die ze aan het uitpakken was, keek me verstrooid aan en wees op een verhuisdoos naast de kast. ‘Pak jij die doos eens uit, daar zitten de spelletjes in.’
Ik opende de doos en haalde monopoly, mens-erger-je-niet en scrabble tevoorschijn. Rode dozen van ongelijke vorm, ongeschikt voor in de kast naast de schuifdeur.


Niets leek meer te passen na de verhuizing. Mijn leven was ontwricht en zou nooit meer hetzelfde zijn. Oorlog. Opa. Verdriet.Er was iets veranderd en ik kon de gevolgen daarvan bij lange na niet overzien.