25. nov, 2013

Praatje voor de Werkgroep Herkenning

Hieronder volgt de tekst die ik heb uitgesproken bij een bijeenkomst van de Werkgroep Herkenning, op 22 november 2013

Het koffertje vol boeken was bijna leeg toen ik weer naar huis gingCool 

 

Doelgroep: kinderen en kleinkinderen van NSB’ers

 

 

In de zomer van 2011 ben ik begonnen aan wat later mijn boek zou worden.

Een boek over de geschiedenis van mijn familie, over de keuze van mijn opa voor de NSB, de consequenties die zijn keuze heeft gehad voor mijn moeder en de doorwerking daarvan later nog in ons gezin, door de trauma’s van mijn moeder en haar gedrag en houding in ons gezin en in de maatschappij.

 

Voordat ik in de zomer van 2011 ging schrijven had ik een gesprek met collega’s, op een terras, om het seizoen af te sluiten, voordat iedereen de volgende dag op vakantie zou gaan. Het gesprek ging over ons werk, over mijn vak als muziekprogrammeur van De Oosterpoort in Groningen, wat klassieke muziek en theater voor ons betekende, hoe we in de kunstwereld terecht waren gekomen en van het een kwam het ander. Mijn collega’s kenden mijn ‘geheim’ en familiegeschiedenis al, maar tijdens het gesprek leek het wel of er bij mij een kraan open ging die niet meer dicht wilde. Het leek alsof mijn verhaal over de familiegeschiedenis eindelijk rijp was en er uit wilde, niet langer onderdrukt wilde worden door welke angst of plaatsvervangende schuld dan ook. Het verhaal van opa die lid was geweest van de NSB, mijn moeder die violiste had willen worden maar na de oorlog niet naar het Conservatorium mocht als dochter van een NSB’er, en mijn eigen keuze voor het conservatorium: deels als invulling van haar gemiste kans, een poging om het voor haar goed te maken en als poging om dichterbij haar te komen, want ons contact verliep het beste wanneer we het over muziek hadden.

 

De volgende dag ging ik op vakantie en toen mijn vriendin en ik een mooi plekje hadden gevonden op een camping in Zuid Frankrijk, begon ik te schrijven, op mijn gloednieuwe Ipad. Losse flarden, hapsnap, herinneringen aan vroeger, toen ik heel klein was, beelden van later, hoe ik aan het bed zat van mijn moeder in de nacht dat ze overleed, hoe ik haar viool vond op zolder. Kriskras vloog ik door mijn en haar leven, vond ik stukjes die ik op moest schrijven, die er uit moesten.

Tijdens de vakantie ontmoetten we vrienden en met hen spraken we over mijn verhaal, onder de parasol. En een van hen zei  ‘dit kan een roman worden, er zitten zoveel thema’s en lagen in’.

 

Na de vakantie had ik een Ipad vol fragmenten. Halve A-viertjes, soms maar enkele regels. Vol pijn, vol woede, maar ook vol bezetenheid, en met een doel. Dit moest inderdaad een boek worden. Een boek voor mijzelf, om orde te scheppen in mijn herinneringen, een boek voor mijn familie en een boek voor mijn naaste vrienden en vriendinnen. Dat het een echt openbaar boek zou kunnen worden was ik op dat moment totaal niet mee bezig.

 

Terwijl het gewone leven weer begon, lag mijn Ipad onder een stapel kranten die nog gelezen moest worden en ik kwam niet meer toe aan mijn verhaal. Maar het sudderde. En toen wees mijn vriendin mij op een advertentie in het NRC, van een schrijfcursus in Gent, over de do’s en dont’ s van het schrijverschap.

Ik volgde de cursus, stuurde een fragment van 1000 woorden in en tot mijn stomme verbazing vroeg de cursusleider,  Paul Sebes die literair agent bleek te zijn, mij om meer fragmenten. Een paar maanden later nodigde hij mij uit om een intensieve cursus te volgen en uiteindelijk zorgde hij ervoor dat ik bij uitgever Luitingh Sijthoff terecht ben gekomen.

 

Toen ik merkte dat het schrijven wel eens serieus kon worden besloot ik het te vertellen aan mijn broer. Het was tenslotte ook zijn geschiedenis die ik aan het noteren was en misschien wilde hij dat wel helemaal niet.

Hij was verbaasd, hij kon natuurlijk ook niet overzien dat het werkelijk een boek zou worden maar hij is vanaf het begin af aan zeer betrokken geweest. Hij heeft meegelezen en vond het goed dat het ook gepubliceerd zou worden. Wanneer hij dat niet had gedaan was het boek er nooit gekomen.

 

Ik was 8 jaar toen ik voor het eerst hoorde over de NSB. Het was toen 1963, 18 jaar na de oorlog. Mijn vader had het tijdens een wandeling met de hond aan mijn 4,5 jaar oudere broer verteld en het was eigenlijk niet de bedoeling dat ik het gesprek zou horen. Maar ik voelde dat er iets belangrijks werd gezegd en uiteindelijk vertelde mijn ouders het ook aan mij. Aan tafel, terwijl we zaten te eten. Ik had er natuurlijk geen idee van wat ze eigenlijk vertelden maar voelde wel dat het iets heel belangrijks was, dat het erg was en dat we er op school maar niet over moesten praten. Dat zouden de mensen vast niet leuk vinden, wanneer ik vertelde over mijn opa die lid was geweest van de NSB.

Dus wij hielden onze mond, maar met name ik, was denk ik nieuwsgierig naar spectaculaire verhalen, naar sensatie waarover ik las in mijn boeken over Arendsoog, over indianen die wreed werden behandeld maar die gered werden door Arendsoog, en de verhalen over de  oorlog pasten daar naadloos in. Totdat ik ouder werd en stukje voor stukje ging beseffen wat het lidmaatschap van de NSB had betekend, wat het was, waar mijn moeder eigenlijk niet echt over wilde praten, maar wat wel haar dagelijkse doen en laten nog steeds bepaalde.

 

Ze was moeilijk. Zwart-wit in haar denken, veeleisend, en vol wantrouwen in de wereld om haar heen. En angstig, maar dat besefte ik pas toen ik ouder werd. Eigenlijk was ze altijd bang om opnieuw geconfronteerd te worden met haar verleden, met haar pijn als dochter van een NSB’ er.

 

Het was bijzonder dat wij thuis zoveel spraken over de oorlog heb ik later begrepen. In veel gezinnen van NSB’ ers werd het doodgezwegen terwijl het bij ons een tafelgesprek was.

 

Ik was ongeveer 13 jaar, toen ik bij toeval de viool op zolder vond. Ik was verbaasd. Mijn moeder speelde piano, geen viool. Ze vertelde wel haar verhalen over de viool, dat ze die had meegenomen naar Duitsland, toen ze met oma door Duitsland zwierf aan het eind van de oorlog, en dat ze daar ’s avonds op speelde, voor andere vluchtelingen, maar na de oorlog was ze gestopt.

Ze had violiste willen worden maar toen ze terugkwam uit Duitsland was daar niets meer van terecht gekomen. Ze was toen 18 jaar, haar vader zat vast en zij moest de kost verdienen voor haarzelf en voor haar moeder die nergens meer toe in staat was door alles wat ze had meegemaakt. Vioolspelen zat er niet meer in, ook al was ze eigenlijk voordat ze moesten vluchten al toegelaten tot het conservatorium. Ze trouwde in 1949 met mijn vader die ze al kende van voor de oorlog en ook hij vond het niet goed dat ze alsnog naar het conservatorium zou gaan. Hij had een beginnende advocatenpraktijk en vond dat mijn moeder voor het huishouden moest zorgen.

Haar droom om violiste te worden heeft ze dus nooit waar kunnen maken. Ik ben wel naar het Conservatorium gegaan en heb min of meer haar droom geprobeerd goed te maken.

 

Ik hield van mijn opa. Hij was de lieve opa, mijn andere opa, de vader van mijn  vader, was ik een beetje bang voor want die was streng en het was er ook nooit gezellig. Met mijn lieve ‘foute’ opa luisterde ik naar muziek, hij braadde ‘kip met vier poten’ voor de Kerst en mijn broer en ik logeerden samen bij opa en oma in die grote stad Amsterdam.

Hij overleed toen ik 12 jaar was, te klein om hem de vragen te kunnen stellen die in de loop van de jaren bij me naar boven kwamen, toen ik steeds meer ging beseffen wat de NSB had betekend, toen ik de impact steeds meer voelde en de plaatsvervangende schuld voor opa’s keuze zich steeds meer in mij ging nestelen.

 

Tijdens het schrijven aan het boek ben ik door veel processen gegaan. Allereerst het schrijven zelf. Ik had toen ik in de 20 was wel eens geschreven, maar niet veel. Ik vond het leuk om te doen maar de verhalen waren niet goed genoeg vond ik zelf en het schrijven verdween steeds meer naar de achtergrond. Ik voelde mij in het begin dus behoorlijk onzeker of ik mijn verhaal wel goed op zou kunnen schrijven.

Dan het onderwerp. Ik wilde eigenlijk over muziek schrijven, over mijn moeder en haar viool, maar ik kon er niet omheen dat ik dan ook moest schrijven over de NSB. En durfde ik dat wel? Wat zouden de mensen gaan denken, zou ik afgewezen worden, net zoals mijn moeder?

Mijn vader is overleden in 1995, mijn moeder in 1998. Als zij nog geleefd hadden, had ik het boek niet kunnen schrijven.

 

Hoe verder ik kwam in het schrijfproces en hoe meer positieve reacties ik kreeg van vrienden en vriendinnen die meelazen, en natuurlijk van mijn redacteur, des te meer ik voelde dat het boek er moest komen. Dat het echt openbaar moest worden en misschien ook wel anderen zou kunnen helpen, dat er een kant van de oorlog naar buiten zou komen die onderbelicht is maar er wel degelijk is. Ik kreeg steeds mee zelfvertrouwen en durfde steeds dieper ook mijn eigen verwerkingsproces te voelen en te beschrijven.

Het afgelopen voorjaar heb ik de Werkgroep Herkenning benaderd. Mijn boek was bijna af en ik wilde graag commentaar van ervaringsdeskundigen over wat ik met name schreef over de NSB. Ik heb contact gekregen met Cuny en met Gonda en zij hebben beiden mijn boek in conceptvorm gelezen. Ik wilde geen fouten maken en ik heb hun commentaar ook in de tekst verwerkt. Nog dank voor jullie inbreng en daarna ook verdere betrokkenheid!

 

Het boek was in de zomer van dit jaar klaar. Toen moest ik wachten tot de boekpresentatie op 18 oktober.

September was een moeilijke maand. Ik wilde maar het liefste dat het boek er nu maar zou zijn, dat ik de confrontatie met alles aan zou kunnen gaan maar ik moest wachten. En ik was bang, ik werd toch weer onzeker; had ik er goed aan gedaan, mocht het boek er wel komen? Zou ik niet verguisd worden of bedreigd?

Op facebook was ik inmiddels actief geworden, had ik een eigen pagina aangemaakt voor het boek en poste ik berichtjes over violen, teksten van anderen en met angst wachtte ik op de eerste reacties. Tot mijn verbazing werd ik niet geweerd, ging men mijn pagina volgen en kreeg ik steeds meer ‘vrienden’ en het gaf mij vertrouwen dat het goed was.

 

Ik was blij toen het eindelijk zo ver was. De presentatie was een feest! 150 vrolijke en betrokken mensen, waaronder Cuny, veel collega’s van mijn werk die hebben meegeleefd, veel vrienden en vriendinnen en natuurlijk mijn familie.

Vanaf dat moment was mijn boek echt een tastbaar feit en sprak ik soms monter met mensen die ik nauwelijks kende over de inhoud alsof het niets was, alsof een opa bij de NSB de gewoonste zaak van de wereld was.

Hoogtepunt van de presentatie was het moment dat ik het eerste exemplaar uitreikte aan mijn broer. Mijn broer aan wie ik het boek ook heb opgedragen, zijn emoties en ook die van mijn schoonzus en hun kinderen.

Bij de presentatie waren verder ook nichten van de kant van mijn vader en een oudtante van mijn moeder. Helaas geen familieleden van de inmiddels langgeleden overleden broer van mijn moeder. Er was geen enkel contact tussen hen en mij maar ik heb hen in het voorjaar op de hoogte gebracht van het feit dat mijn boek er aan zou komen en een neef heeft daarop gereageerd. Hij had ooit een keer iets van zijn vader gehoord over de NSB en verder niet. Door mijn boek is hij zelf een zoektocht begonnen naar het verleden van zijn vader, heeft ook inmiddels zijn dossier gelezen en we gaan elkaar binnenkort een keer opzoeken. Helaas tonen zijn 2 zussen geen interesse en ik ben heel benieuwd of dat in de toekomst nog een keer zal gebeuren.

 

Het boek bestaat uit twee delen. Deel 1 begint met de wandeling met de hond wanneer mijn vader met mijn broer praat. Ik ben dan 8 jaar. Het eindigt wanneer ik 18 ben en het huis uit ga. Eerst wilde ik het daar bij laten maar ik merkte dat dat geen bevredigend einde was. Er moest meer komen. Toen ben ik deel 2 gaan schrijven, dat begint wanneer ik 40 ben, tot mijn 43e, en mijn moeder is overleden. In die periode lees ik ook het dossier van opa en bezoek ik een weekend van de Werkgroep Herkenning in 1998. Hierover schrijf ik ook.

 

Het schrijven heeft mij ontzettend veel gegeven. Tijdens het schrijven aan het boek verdween mijn schuldgevoel steeds meer.  De plaatsvervangende schuld die niet bij mij hoorde maar die zo diep in mij lag verankerd. Het schuldgevoel dat me behoedzaam had gemaakt, wantrouwend, net zoals mijn moeder, gesloten en soms onzeker. En mijn angst verdween, de angst van het kleine meisje.

Het schrijven bracht eigen verwerking, veel diepgaande gesprekken, nieuwe vriendschappen, mooie reacties. Ik heb tot nu toe geen enkele negatieve of kwetsende reactie gehad. Ongelooflijk! Ik krijg respect, men is soms ontdaan, men wist niet dat er zoveel leed is geweest onder kinderen van NSB’ ers, ik krijg ontroerende recensies op facebook en daar wil ik een paar citaten uit voorlezen.

 

 

1. Op een mooie manier maakt de schrijfster duidelijk dat het belanden aan de foute kant, vrij terloops kan gebeuren en dat goed en kwaad nogal door elkaar kunnen lopen. Kijk hoe wraakzuchtig met de oud NSB’ ers en hun nageslacht werd omgesprongen. Het is niet altijd wat het lijkt.
Er zullen nooit genoeg van deze geschiedenissen kunnen worden verteld .

 

2. Nooit zo bij stil gestaan dat het verleden van een familie zo' n impact kan hebben op volgende generaties.


3. Dit is een boek wat iedereen gelezen moet hebben.

Moet een boek met zo’n thema nu nog geschreven worden? Ja, ik denk het wel. Er zijn nog steeds oorlogen en nog steeds zijn er mensen die ondanks afloop van een oorlog, de oorlog meenemen naar huis en hun kinderen daarin laten opgroeien.
Maar ook omdat de omgeving (wij dus) zich zo radicaal en verwerpend kan opstellen, zich zo primitief wraakzuchtig kan tonen, ook daarom is zo’n thema nog steeds nodig.

 

4. Een roman die een andere kant van de oorlog laat zien zonder te veroordelen. De Viool van mijn Moeder is een zonder rompslomp geschreven, helder verhaal over een kant van de oorlog die we liever niet zo benaderd zien. De slechterikken hebben ook een gezicht.

 

5. Dit boek belicht de gevolgen van de tweede wereldoorlog voor een groep mensen die minder aan bod komen in oorlogsverhalen en geeft weer dat ook zij en hun kinderen hun verdere leven geconfronteerd blijven met het gebeurde en dat zij ondanks verkeerde keuzes eigenlijk ook slachtoffers zijn. 

 

6. Grote verdienste van dit boek is de aandacht die het vraagt voor doorlaatbaarheid van de grenzen tussen goed en fout in tijden van oorlog. Grote Nederlandse auteurs gingen Yvonne van den Berg voor, zoals  Simon Vestdijk met Pastorale 1943 of W.F. Hermans met De tranen der acacia’s. Maar De viool van mijn moeder richt zich specifiek op het verborgen leed van NSB-kinderen en -kleinkinderen. En het maakt de even precaire als gecompliceerde problematiek op een toegankelijke manier invoelbaar: de ongerichte schuldgevoelens, de schaamte, de loodzware loyaliteit. 
Halverwege het boek denk je onwillekeurig aan de ophef in 2011 rondom Grimbert Rost van Tonningen toen hij op 4 mei 2011 in Culemborg zou spreken over vrijheid, en wel vanuit het perspectief van een ‘kind van foute ouders’. “Natuurlijk begrijp ik dat hij zijn verhaal ook wel eens kwijt wil,” verzuchtte een vriendin van mij destijds, “maar ik begrijp niet waarom hij daar per se díe plek en díe gelegenheid voor moet uitkiezen.”

Na De viool van mijn moeder te hebben gelezen, begrijp ik dat wel.

 

Tot hier de recensies. Lees vooral verder op mijn speciale site www.devioolvanmijnmoeder.nl waar ook alle muziekfragmenten te beluisteren zijn die in het boek voor komen.

 

Afgelopen week is er een serie concerten geweest met het Noord Nederlands Orkest. Tijdens de concerten werden drie werken gespeeld die in mijn boek voor komen, voorafgaand aan de concerten werd ik geinterviewd en op het podium las ik een fragment voor, voordat Liza Ferschtman het vioolconcert van Mendelssohn ging spelen.

Het waren fantastische avonden! Diepe stiltes tijdens de interviews, mensen die naar me toe kwamen en vertelden dat hun eigen vader of ander familielid ook lid was geweest van de NSB maar dat ze er eigenlijk nog nooit over gesproken hadden. Een man die mijn hand bijna niet meer los wilde laten, terwijl hij met tranen in zijn ogen vertelde over zijn vader. Geweldig. Ontroerend en zo mooi.

 

Ik ben trots dat het boek er ligt. Apetrots. Vriendinnen van mij hebben achter mijn rug om de viool laten repareren, en met het schrijven van het boek is er nu ook een stukje in mij zelf gerepareerd.

 

Ik denk dat de tijd rijp is voor het openbaar maken van deze geschiedenis. Dat er steeds meer ruimte zal komen en begrip voor de geschiedenis van nazaten van NSB’ ers en hopelijk zal dat begrip ook nog verder ontwaken bij de mensen van het NIOD en de onderzoeken die er zullen komen.

Hopelijk kan mijn boek daar ook verder aan bijdragen.

Ik wil niet zeggen 'nu moet je luisteren naar deze kant van de oorlog en het leed dat is ontstaan'. Wanneer iemand er namelijk niet open voor staat zal het niet werken. Het werkt alleen wanneer men uit eigen beweging gaat nadenken, geraakt wordt door mijn tekst, niet omdat ik het van de daken schreeuw of me afzet tegen andere meningen.

Ik heb geen illusies dat ik mensen kan veranderen met in steen gehouwen opvattingen; die zullen niet luisteren of hun beelden en opvattingen veranderen. Er zullen mensen zijn die niet geconfronteerd willen worden met mijn verhaal, en mensen die het afwijzen. Het zij zo. Maar er zijn steeds meer mensen die wel luisteren, die open staan voor deze kant van het leed uit de oorlog.

 

Ik wil graag afsluiten met het voorlezen van een fragment uit mijn boek.

Pagina 161 - 163.

 

Ik dank u wel.